ECLI:NL:CRVB:2006:AW2013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WAO-premiedifferentiatie wegens schending hoorplicht en redelijke termijn
Appellante maakte bezwaar tegen de toekenning van een WAO-uitkering aan een voormalige werkneemster, wat leidde tot een geschil over de premiedifferentiatie voor 1999. De Raad stelde vast dat het Uwv ten onrechte geen hoorzitting organiseerde ondanks het verzoek daartoe van appellante, wat strijdig was met artikel 87a van de WAO. Daarnaast werd de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, die meer dan zeven jaar duurde, overschreden, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro vormde.
De Raad oordeelde dat appellante geen belang meer had bij inzage in medische stukken omdat haar gemachtigde deze inmiddels had ontvangen. De inhoudelijke bezwaren tegen de toekenning van de WAO-uitkering werden niet onderbouwd met medische argumenten en faalden. De Raad stelde vast dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven, mede omdat de procedure in latere fases alsnog een behoorlijke behandeling bood.
De Raad wees het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding af, omdat de door appellante gestelde spanning en frustratie onvoldoende waren aangetoond. Tot slot veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Het besluit over de WAO-premiedifferentiatie wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.