ECLI:NL:CRVB:2006:AW2017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAZ-uitkering na hervatting werkzaamheden DGA
Appellant, voormalig directeur-eigenaar van een betonbedrijf, ontving sinds 1984 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in 1998 werd omgezet in een WAZ-uitkering. Na het indienen van jaarcijfers over 1999 en 2000 stelde een arbeidsdeskundige vast dat appellant sinds 1 juli 1999 voltijds als directeur-grootaandeelhouder (DGA) werkte tegen een bruto jaarsalaris van f 84.000,- plus fiscale bijtelling voor privégebruik auto. Dit leidde tot het besluit van het UWV om de WAZ-uitkering met terugwerkende kracht per 1 juli 1999 in te trekken vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%.
Appellant voerde diverse bezwaren aan, waaronder het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, onduidelijkheid over het loon en de terugwerkende kracht van het besluit. De Raad oordeelde dat het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in dit geval niet tot vernietiging leidt, mede omdat appellant reeds ruim tweeënhalf jaar voltijds werkte zonder gezondheidsklachten. Het overeengekomen loon werd als reëel beoordeeld, mede omdat dit in de jaarstukken en belastingaangifte werd verantwoord.
De Raad verwierp het bezwaar dat het UWV eerst een kortingsregeling had moeten toepassen en oordeelde dat appellant zich bewust had moeten zijn van de gevolgen van zijn inkomsten voor de uitkering. Ook was er geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WAZ-uitkering met terugwerkende kracht per 1 juli 1999.