ECLI:NL:CRVB:2006:AW2193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij WW-uitkering
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van het UWV om zijn WW-uitkering blijvend geheel te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid. De arbeidsovereenkomst was ontbonden per 1 mei 2004, maar het recht op WW-uitkering ontstond pas op 1 juni 2004. Op die datum trad appellant in dienst bij een nieuwe werkgever en is sindsdien niet meer werkloos geworden.
De Raad concludeert dat het WW-recht op 1 juni 2004 is geëindigd en dat een mogelijke herleving van het recht niet aan de orde is. Hierdoor ontbreekt het appellant aan belang bij een uitspraak op zijn hoger beroep, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant wegens het nalaten van het vaststellen van de eerste werkloosheidsdag en bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 april 2006.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken belang; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.