ECLI:NL:CRVB:2006:AW2553

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1541 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 106 AbwArt. 107 AbwArt. 113 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ontheffing arbeidsverplichtingen op grond van Abw

Appellant en zijn echtgenote ontvingen een bijstandsuitkering volgens de norm voor een gezin. Voor de echtgenote golden geen arbeidsverplichtingen vanwege een verzorgende taak, voor appellant wel. Het College weigerde appellant ontheffing te verlenen van de verplichtingen uit artikel 113 Abw Pro en legde hem de verplichting op mee te werken aan een nader medisch en arbeidskundig onderzoek.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het College zich niet had mogen baseren op de rapportage van de verzekeringsarts en dat de weigering onredelijk was.

De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige gegevens voldoende steun bieden voor het standpunt van het College dat appellant beperkt arbeidsgeschikt was. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de rapportage niet gebruikt mocht worden. Ook het opleggen van de medewerking aan nader onderzoek is redelijk. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het College om appellant ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen.

Uitspraak

05/1541 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 januari 2005, 04/1846 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg (hierna: College).
Datum uitspraak: 4 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Voor appellant is verschenen mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant en zijn echtgenote [naam echtgenote] (verder: [naam echtgenote]) ontvingen een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een gezin. Voor [naam echtgenote] golden de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw niet in verband met een verzorgende taak voor een kind jonger dan vijf jaar. Voor appellant golden deze verplichtingen wel.
Bij besluit van 27 november 2003 heeft het College aan appellant kenbaar gemaakt hem geen vrijstelling (lees: ontheffing) te verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw en hem tevens de verplichting opgelegd om mee te werken aan een nader medisch en arbeidskundig onderzoek.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 29 juni 2004.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 29 juni 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De weigering om ontheffing te verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113 Abw Pro
Op grond van artikel 107, eerste lid, van de Abw is het College onder meer bevoegd van de verplichtingen bedoeld in artikel 113 van Pro de Abw tijdelijk ontheffing te verlenen in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand.
De beschikbare medische en arbeidskundige gegevens bieden naar het oordeel van de Raad voldoende steun voor het standpunt van het College dat appellant ten tijde hier van belang beperkt arbeidsgeschikt was te achten. De Raad volgt niet de stelling van appellant dat het College zich daarbij niet heeft kunnen en mogen baseren op de rapportage van de verzekeringsarts C. Rossou. Die stelling is op goede gronden door de rechtbank verworpen. Met de rechtbank ziet de Raad dan ook geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om appellant tijdelijk ontheffing te verlenen van de hem eerder opgelegde verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid.
De verplichting om mee te werken aan een nader medisch en arbeidskundig onderzoek
Op grond van artikel 106 van Pro de Abw, voorzover van belang, is het College bevoegd naast de verplichtingen, bedoeld in
artikel 113 van Pro de Abw, ook andere verplichtingen op te leggen die strekken tot inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking of in eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Met de rechtbank ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om appellant de verplichting op te leggen om mee te werken aan een nader medisch en arbeidskundig onderzoek. Het in dit verband gedane beroep op de inhoud van de aan appellant gerichte brief van Lander Werk & Integratie van 26 maart 2002 faalt, waarbij de Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2006.
(get.) van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.