ECLI:NL:CRVB:2006:AW3218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet drukker
Appellant was sinds 21 februari 2000 in dienst als drukker bij een werkgever en werd op 22 augustus 2003 op staande voet ontslagen vanwege foutief produceren van een order en nonchalant gedrag, ondanks meerdere waarschuwingen. Hij vroeg WW-uitkering aan, die het UWV weigerde wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV omdat het verwijtbaar gedrag appellant niet in overwegende mate kon worden toegerekend, mede vanwege onachtzaamheid van de werkgever. Het UWV matigde daarop de maatregel en kende een gedeeltelijke WW-uitkering toe met een verlaging van het uitkeringspercentage.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen belang meer heeft bij beoordeling van de eerdere uitspraak. De Raad bevestigt dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door het nalaten van controle op het drukwerk, ondanks waarschuwingen en gesprekken over zijn functioneren. De maatregel is terecht gematigd omdat de schuld niet in overwegende mate bij appellant ligt.
De Raad oordeelt dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag kon leiden en dat het UWV het besluit van 25 februari 2005 in stand mag houden. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd vanwege de omstandigheden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van het UWV tot matiging van de maatregel blijft in stand.