ECLI:NL:CRVB:2006:AW4358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering en terugvordering onverschuldigde bijstand door gemeente Soest
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar recht op bijstand over de periode van 5 juni 2000 tot en met 12 augustus 2000 en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden, waaronder dat zij geen werkzaamheden had verricht bij de Stichting en dat de inkomsten uit werkzaamheden niet aan haar, maar aan de gemeente waren uitbetaald. De Raad volgde dit niet en sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank. Het College overhandigde aanvullende bewijsstukken ter ondersteuning van haar standpunt inzake de herziening, waarop appellante niet reageerde.
De Raad vond geen dringende redenen om van herziening af te zien. Wel werd het bedrag van de terugvordering door het College aangepast van € 2.196,45 naar € 1.809,95. De Raad vernietigde het besluit van 15 december 2003 voor zover het de terugvordering betreft en gelast het College om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van 15 december 2003 wordt vernietigd voor zover het de terugvordering betreft en het College dient opnieuw op bezwaar te beslissen.