ECLI:NL:CRVB:2006:AW4557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich in januari 1994 ziek met surmenageklachten. Na een auto-ongeval in februari 1994 kreeg zij meer klachten. In januari 1995 werd een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%, maar deze werd per december 1995 ingetrokken. In 2003 werd alsnog een WAO-uitkering toegekend wegens nierbekkenontsteking, maar deze werd per mei 1996 beëindigd omdat appellante geschikt werd geacht voor haar eigen werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, omdat zij niet met medische gegevens kon aantonen dat haar beperkingen door het post-whiplash-syndroom waren toegenomen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar klachten, met verwijzing naar een rapport van een revalidatiearts die een post-whiplash-syndroom had vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het geschil draait om de vraag of appellante per 25 mei 1996 geschikt was voor haar werk en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelde vast dat er geen objectiveerbare beperkingen waren die de klachten konden verklaren en dat de typering als post-whiplash-syndroom geen objectivering bood. Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens in die het tegendeel konden bewijzen. Het hoger beroep faalt en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 25 mei 1996 wordt bevestigd omdat appellante geschikt was voor haar eigen werk.