ECLI:NL:CRVB:2006:AW4590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde Wajong-uitkering wegens inkomsten uit arbeid
Appellant, die een Wajong-uitkering ontving op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, werd geconfronteerd met een terugvordering van het UWV over twee perioden in 2002 en 2003. Het UWV had vastgesteld dat appellant inkomsten uit arbeid had, waardoor de uitkering ten onrechte was betaald. Appellant voerde aan geen relevante inkomsten te hebben gehad en stelde subsidiarisch dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant geen rechtsmiddel had aangewend tegen het eerdere besluit waarin zijn arbeidsongeschiktheidsklasse was vastgesteld en het feitelijk onrechtmatig ontvangen van uitkering daarmee vaststond. De rechtbank oordeelde ook dat het UWV op grond van artikel 55 WAJONG Pro verplicht was tot terugvordering, tenzij dringende redenen aanwezig waren, welke niet waren aangetoond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar bracht geen nieuwe feiten of gronden naar voren. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees erop dat het verzoek om af te zien van terugvordering te laat was ingediend, aangezien dit in de bezwaarfase had moeten gebeuren. De Raad oordeelde dat het UWV terecht tot terugvordering was overgegaan en dat de aangevallen uitspraak gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde Wajong-uitkering wegens inkomsten uit arbeid.