ECLI:NL:CRVB:2006:AW4590

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1416 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 WAJONGArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde Wajong-uitkering wegens inkomsten uit arbeid

Appellant, die een Wajong-uitkering ontving op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, werd geconfronteerd met een terugvordering van het UWV over twee perioden in 2002 en 2003. Het UWV had vastgesteld dat appellant inkomsten uit arbeid had, waardoor de uitkering ten onrechte was betaald. Appellant voerde aan geen relevante inkomsten te hebben gehad en stelde subsidiarisch dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.

De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant geen rechtsmiddel had aangewend tegen het eerdere besluit waarin zijn arbeidsongeschiktheidsklasse was vastgesteld en het feitelijk onrechtmatig ontvangen van uitkering daarmee vaststond. De rechtbank oordeelde ook dat het UWV op grond van artikel 55 WAJONG Pro verplicht was tot terugvordering, tenzij dringende redenen aanwezig waren, welke niet waren aangetoond.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar bracht geen nieuwe feiten of gronden naar voren. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees erop dat het verzoek om af te zien van terugvordering te laat was ingediend, aangezien dit in de bezwaarfase had moeten gebeuren. De Raad oordeelde dat het UWV terecht tot terugvordering was overgegaan en dat de aangevallen uitspraak gehandhaafd blijft.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde Wajong-uitkering wegens inkomsten uit arbeid.

Uitspraak

04/1416 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 februari 2004, 03/1100 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 7 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Herten, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk in het genot van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
Bij besluit van 27 maart 2003 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij in deze arbeidsongeschiktheidsklasse blijft ingedeeld, maar dat in verband met inkomsten uit arbeid zijn uitkering over de perioden van 9 september 2002 tot
30 december 2002 en van 27 januari 2003 tot 22 februari 2003 wordt uitbetaald als ware hij voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt.
Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
Bij besluit van 8 april 2003, zoals gehandhaafd bij besluit van 11 augustus 2003, heeft het Uwv van appellant teruggevorderd het bedrag dat aan hem over de perioden van 9 september 2002 tot 30 december 2002 en van 27 januari 2003 tot 22 februari 2003 ten onrechte is betaald.
De rechtbank Roermond heeft het tegen het besluit van 11 augustus 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat, nu tegen het besluit van 27 maart 2003 door appellant geen rechtsmiddel is aangewend, in rechte is komen vast te staan dat appellant ten onrechte uitkering heeft ontvangen. De grief van appellant dat hij geen relevante inkomsten heeft gehad, richt zich tegen het in rechte vaststaande besluit van 27 maart 2003 en diende naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom te worden verworpen.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat op grond van artikel 55 van Pro de WAJONG het Uwv gehouden is de uitkering die ten onrechte is betaald, terug te vorderen, tenzij er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.
Nu van zulke omstandigheden niet is gebleken, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht tot terugvordering is overgegaan.
In hoger beroep heeft appellant zich wederom op het standpunt gesteld dat hij in de betrokken perioden geen relevante inkomsten heeft gehad.
Subsidiair heeft appellant gesteld dat er dringende reden zijn om van terugvordering af te zien.
Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het niet hebben van relevante inkomsten vormt een herhaling van hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. De Raad kan zich verenigen met de conclusies en overwegingen van de rechtbank. De rechtbank heeft de grief van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze grief niet slaagt.
Appellant heeft eerst in hoger beroep – en overigens niet toegelicht – aangevoerd dat er dringende redenen zijn om af te zien van de in geding zijnde terugvordering.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient zo een verzoek – onder aanvoering van gronden – door appellant te worden gedaan uiterlijk in de bezwaarfase. Het verzoek is mitsdien te laat gedaan. Reeds hierom slaagt de grief van appellant niet.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.P. Mulder.