ECLI:NL:CRVB:2006:AW4858

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
06-1026 WWB-VV, 06-1030 WWB-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 18 Beroepswet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep tegen subsidiegeschil gemeente Amsterdam

Verzoeksters, Stichting [verzoekster 1] en [verzoekster 2], hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een geschil met het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam over een subsidie. Tegelijkertijd verzochten zij om een voorlopige voorziening waarbij zij een voorschot op de subsidie wilden afdwingen.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overwoog dat tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep mogelijk is vanwege een wettelijk appèlverbod, tenzij sprake is van evidente schending van fundamentele procesbeginselen. Dit was niet aannemelijk gemaakt. Het verzoek om voorlopige voorziening zou feitelijk een inhoudelijke beoordeling van het geschil in de hoofdzaak betekenen, wat niet aan de orde is.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 24 april 2006 door voorzieningenrechter T.G.M. Simons.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het appèlverbod.

Uitspraak

06/1026 WWB-VV, 06/1030 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
Stichting [verzoekster 1] en [verzoekster 2], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: verzoeksters),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeksters
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2006, 05/2494 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeksters
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeksters hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeksters hebben tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan en daarbij - kort gezegd - de voorzieningenrechter van de Raad verzocht te bepalen dat het College aan verzoeksters een substantieel voorschot dient uit te keren op een subsidie waarop verzoeksters aanspraak maken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2006. Verzoeksters hebben zich laten vertegenwoordigen door
O. de Rooij en het College door mr. A.G.M. ter Laak.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank beslist op het verzet van verzoeksters tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb van 12 januari 2006. De aangevallen uitspraak is derhalve een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb.
In artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Volgens vaste rechtspraak - ook - van de Raad kan voor doorbreking van een wettelijk appèlverbod slechts aanleiding zijn, als sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat naar zijn voorlopig oordeel in dit geval de Raad het appèlcollege is dat geroepen is in de hoofdzaak te beoordelen of er aanleiding is het hier aan de orde zijnde appèlverbod te doorbreken.
De voorzieningenrechter laat in het midden of - ook - de Stichting [verzoekster 1] belanghebbende is.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal - al - hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd, de Raad in de hoofdzaak niet leiden tot de vaststelling dat er aanleiding is voor doorbreking van het appèlverbod. Van enige schending als hiervoor bedoeld is niet gebleken. Voor het overige ziet het betoog van verzoeksters in wezen op de - beweerde - inhoudelijke onjuistheid van de aangevallen uitspraak.
Het voorgaande betekent dat de Raad zich in de hoofdzaak naar verwachting onbevoegd zal verklaren. In die omstandigheden is voor het treffen van een voorlopige voorziening, en derhalve ook voor een inhoudelijke beoordeling van het daartoe strekkende verzoek, geen grond. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening daarom afwijzen.
Voor een veroordeling in de proceskosten of een bepaling omtrent het griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.