ECLI:NL:CRVB:2006:AW7299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringskorting en terugvordering bij inkomsten uit arbeid
Appellant, een voormalig betonwerker, ontving sinds 1982 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot de uitkering over diverse periodes niet uit te betalen vanwege inkomsten uit arbeid en vorderde een deel van de onverschuldigd betaalde uitkering terug.
Appellant voerde aan dat de vergelijking van loon op basis van periodelonen onterecht was en dat een vergelijking op basis van uurlonen gunstiger zou zijn. De Raad overwoog dat de schatting van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid volgens artikel 44 van Pro de WAO in beginsel gelijk moet zijn aan de vaststelling op grond van artikel 18 van Pro de WAO, waarbij in dit geval de maandloonvergelijking van toepassing is.
De Raad erkende dat de oude systematiek bedoeld is ter bescherming van belanghebbenden, maar dat deze in specifieke gevallen nadelig kan uitpakken. Desondanks was er geen grond om af te wijken van de oude criteria. Het bezwaar van appellant werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad wees tevens op de toepasselijkheid van overgangsbepalingen in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waardoor de oude systematiek blijft gelden voor personen waarvan de arbeidsongeschiktheid vóór 2 april 1997 is vastgesteld.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter Spaas en leden Schoor en Hilhorst-Hagen op 2 mei 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting en terugvordering van de WAO-uitkering op basis van maandloonvergelijking.