ECLI:NL:CRVB:2006:AW8523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat- van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Onterecht opgelegde volledige weigering van ziekengeld wegens berusting in ontslag op staande voet
Appellant meldde zich ziek en werd door een bedrijfsarts geschikt geacht voor aangepast werk. Na een second opinion werd bevestigd dat appellant niet geschikt was voor eigen werk maar wel voor aangepast werk. De werkgever sprak appellant op staande voet ontslag uit, waarna het UWV het ziekengeld geheel weigerde wegens een benadelingshandeling door berusting in het ontslag.
Appellant stelde dat hij de uitslag van de second opinion te laat ontving en direct contact opnam met de werkgever, die echter het ontslag al had verzonden. Het UWV kwalificeerde de berusting als overtreding van een verplichting in de vijfde categorie, ten 3e, en legde de zwaarste sanctie op: volledige weigering van de uitkering over de volledige duur.
De Raad oordeelde dat de berusting in het ontslag op staande voet een benadelingshandeling is, maar dat het UWV ten onrechte de zwaarste sanctie toepaste. De sanctie had slechts mogen gelden tot de rechtsgeldige opzegdatum van de arbeidsovereenkomst, 1 oktober 2002. Het besluit van het UWV ontbeerde een deugdelijke motivering en werd vernietigd. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot volledige weigering van ziekengeld wegens berusting in ontslag op staande voet wordt vernietigd en beperkt tot de rechtsgeldige opzegdatum.