ECLI:NL:CRVB:2006:AW9333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak over verwijtbare werkloosheid en wijst zaak terug
Betrokkene trad in april 1988 in dienst bij belanghebbende en werd op 28 januari 2002 op staande voet ontslagen, waarna dit ontslag werd ingetrokken. De arbeidsovereenkomst werd uiteindelijk ontbonden per 1 augustus 2002 met een vergoeding van €70.000 bruto. Appellant 1 (UWV) en appellant 2 (Minister van OCW) weigerden vanaf 12 januari 2004 de WW- en Bbwo-uitkeringen aan betrokkene wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde de besluiten, maar verklaarde het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de besluiten en daarbij de ware toedracht gemeld, wat de rechtbank als misbruik beschouwde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat belanghebbende als werkgever belanghebbende is bij de uitkeringen omdat de kosten op haar worden verhaald. De Raad vindt dat belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar en dat het recht om bezwaar te maken niet werd beperkt door de ontbindingsprocedure of civielrechtelijke afspraken.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen en wijst de zaak terug voor inhoudelijke beoordeling. Tevens veroordeelt de Raad appellanten voorwaardelijk tot vergoeding van proceskosten van betrokkene en belanghebbende in hoger beroep.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 april 2006.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke beoordeling.