ECLI:NL:CRVB:2006:AW9661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken werkloosheid ondanks niet-werkzaam zijn
Appellant was sinds 1993 in dienst als adviseur/projectleider en viel in februari 2001 wegens ziekte uit. Na een periode van arbeidsongeschiktheid en therapeutische werkzaamheden, vroeg de werkgever in maart 2003 een ontslagvergunning aan. Appellant verrichtte vanaf die datum geen werkzaamheden meer en vroeg een WW-uitkering aan.
Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet werkloos was in de zin van de WW, aangezien hij het recht op onverminderde doorbetaling van loon behield. De rechtbank bevestigde dit standpunt. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet welkom was en geen inkomen ontving, waardoor hij werkloos zou zijn.
De Raad oordeelde dat appellant, gelet op artikel 7:628 BW Pro, zijn loonrecht behield omdat hij niet werkte door een oorzaak die voor rekening van de werkgever kwam, en dat er voldoende passende werkzaamheden beschikbaar waren. Daarom was er geen werkloosheid volgens artikel 16 WW Pro en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat appellant niet werkloos was in de zin van de WW.