ECLI:NL:CRVB:2006:AX1639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- G.J.H. Doornewaard
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAZ-uitkering en herziening WAO-uitkering na enkelbotbreuk
Appellant, vrachtwagenchauffeur en zelfstandig palletreparateur, brak op 4 oktober 2000 zijn enkelbot tijdens werk. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met 80-100% arbeidsongeschiktheid vanaf 3 oktober 2001. Later werd een WAZ-uitkering geweigerd wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid en de WAO-uitkering verlaagd en ingetrokken vanwege een lagere mate van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn pijnklachten onderschat waren en dat hij zijn werk niet kon verrichten. De Raad oordeelde dat het medische oordeel van de verzekeringsarts Strik, die appellant niet duurzaam belastbaar achtte per einde wachttijd, goed gemotiveerd was. De weigering van de WAZ-uitkering per 2 oktober 2001 ontbrak echter een draagkrachtige motivering en werd vernietigd.
Ten aanzien van de verlaging van de WAO-uitkering per 1 juni 2002 oordeelde de Raad dat het besluit op juiste medische gronden was gebaseerd, met gebruik van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De motivering van de functieselectie door de arbeidsdeskundige was aanvankelijk onvoldoende, maar werd in hoger beroep aangevuld. De Raad besloot zelf te voorzien door de WAO-uitkering te herzien naar 25-35% arbeidsongeschiktheid per 11 augustus 2002.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt vernietigd en de WAO-uitkering wordt herzien naar 25-35% arbeidsongeschiktheid per 11 augustus 2002.