ECLI:NL:CRVB:2006:AX2177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herbeoordeling WAO-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als ijzerwerker, liep in mei 1985 een bedrijfsongeval op waarbij zijn linkervoet werd verbrijzeld. Na een periode van ziekengeld en uitkeringen op grond van de AAW en WAO, werd zijn arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld en vastgesteld op 35 tot 45% per 2 maart 1997. Na bezwaar werd deze mate bij besluit van 12 augustus 2002 verhoogd naar 45 tot 55% per 1 oktober 2001.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en vorderde een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering, stellende dat hij ondanks meer dan 2000 sollicitaties geen passende arbeid kon vinden en nog volledig arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk. De rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het Uwv juist is en dat de feitelijke beschikbaarheid van functies buiten beschouwing moet blijven bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, conform artikel 18, zesde lid, van de WAO. Beroepen op internationale verdragen zoals het IVESCR en het IAO-verdrag nr. 121 worden niet als bindend voor de beoordeling erkend of zijn onvoldoende onderbouwd.
Het hoger beroep van appellant faalt, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% en verklaart het hoger beroep ongegrond.