ECLI:NL:CRVB:2006:AX2177

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-997 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 6 WAOArt. 11 lid 1 IVESCRArt. 93 GrondwetArt. 94 GrondwetArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herbeoordeling WAO-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als ijzerwerker, liep in mei 1985 een bedrijfsongeval op waarbij zijn linkervoet werd verbrijzeld. Na een periode van ziekengeld en uitkeringen op grond van de AAW en WAO, werd zijn arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld en vastgesteld op 35 tot 45% per 2 maart 1997. Na bezwaar werd deze mate bij besluit van 12 augustus 2002 verhoogd naar 45 tot 55% per 1 oktober 2001.

Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en vorderde een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering, stellende dat hij ondanks meer dan 2000 sollicitaties geen passende arbeid kon vinden en nog volledig arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk. De rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.

De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het Uwv juist is en dat de feitelijke beschikbaarheid van functies buiten beschouwing moet blijven bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, conform artikel 18, zesde lid, van de WAO. Beroepen op internationale verdragen zoals het IVESCR en het IAO-verdrag nr. 121 worden niet als bindend voor de beoordeling erkend of zijn onvoldoende onderbouwd.

Het hoger beroep van appellant faalt, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

04/997 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 december 2003, 03/841 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 9 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 27 december 2005 heeft appellant zijn pleitnota aan de Raad toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2006. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Appellant was werkzaam als ijzerwerker toen hem in de maand mei 1985 een bedrijfsongeval overkwam, waarbij zijn linkervoet werd verbrijzeld. In verband hiermee heeft hij gedurende 52 weken ziekengeld ontvangen en zijn hem in aansluiting hierop uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Nadat appellant (hoger) beroep had ingesteld tegen de uitkomst van een herbeoordeling van zijn mate van arbeids- ongeschiktheid in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 2 maart 1997 uiteindelijk gesteld op 35 tot 45%. De door appellant tegen die herbeoordeling aangevoerde principiële grieven zijn door de Raad in zijn uitspraak van 5 juni 2001, kenmerk 98/5313 AAW/WAO + 00/4575 AAW/WAO, verworpen.
Bij besluit van 13 november 2001 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 1 oktober 2001 ongewijzigd voortgezet. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar gegrond is verklaard bij besluit van 12 augustus 2002. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is per 1 oktober 2001 vastgesteld op 45 tot 55%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische belastbaarheid van appellant per 1 oktober 2001 en dat evenmin is gebleken dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onjuist zou zijn. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van
5 juni 2001 heeft de rechtbank ook de overige grieven van appellant verworpen. Deze grieven hielden verband met het standpunt van appellant dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met enig algemeen rechtsbeginsel of regel van (supra)nationaal recht.
Appellant kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen. Hij is van mening dat hij recht heeft op een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals hij die in het verleden ook heeft ontvangen en heeft in hoger beroep zijn eerder aangevoerde argumenten herhaald. Hierbij benadrukt appellant dat hij onbetwist nog steeds volledig arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk en dat hij er ondanks meer dan 2000 sollicitaties niet in is geslaagd passende arbeid te vinden.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of appellant per 1 oktober 2001 arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO in de mate van 45 tot 55%.
Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Op grond van dezelfde overwegingen als de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat de door appellant aangevoerde overige grieven geen doel treffen. Hieraan voegt hij nog het volgende toe.
Hoe teleurstellend het voor appellant ook heeft moeten zijn dat zijn vele sollicitaties naar voor hem geschikte functies niet succesvol waren, de omstandigheid dat hij die arbeid feitelijk niet heeft kunnen verkrijgen dient gelet op artikel 18, zesde lid, van de WAO buiten beschouwing te blijven bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Ten aanzien van het door appellant gedane beroep op artikel 11, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) wijst de Raad erop dat hij al eerder –zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 mei 2004 (LJN: AP0561) en 1 november 2005 (LJN: AU5600)– heeft geoordeeld dat onder andere dit voorschrift van het IVESCR niet kan worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
Het door appellant ten slotte bij brief van 27 december 2005 gedane beroep op het Verdrag nr. 121 betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten (IAO-verdrag nr. 121) is ongespecificeerd en niet onderbouwd, zodat de Raad dit terzijde laat.
Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.