ECLI:NL:CRVB:2006:AX3089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid fibromyalgie
Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster, kreeg vanaf 1 juni 2000 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige werd haar uitkering ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor geselecteerde functies zonder urenbeperking. Appellante voerde bezwaar aan met medische rapporten van haar huisarts, reumatoloog en zenuwarts, die haar beperkingen bevestigden.
De bezwaarverzekeringsarts onderschreef echter het oorspronkelijke oordeel van de verzekeringsarts dat er geen medische reden was voor urenbeperking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts zwaarder liet wegen dan dat van de zenuwarts. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet tijdig kon reageren op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts en dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onvoldoende inzichtelijk was.
De Raad oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had gekregen om te reageren en dat het rapport van de zenuwarts onvoldoende objectief-medische onderbouwing bood om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te weerleggen. Tevens werd geoordeeld dat de arbeidskundige motivering pas in hoger beroep adequaat was gegeven. De Raad vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.