ECLI:NL:CRVB:2000:AA9695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- J.W.P. van der Hoeven
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering op objectieve medische gronden
Appellant had een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend gekregen vanwege arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), trok deze uitkering per 1 januari 1996 in op grond van een arbeidskundige beoordeling dat appellant met zijn medische beperkingen geschikt was voor bepaalde functies zonder relevant verlies aan verdienvermogen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische beperkingen, vastgesteld door de verzekeringsarts en een deskundige, werden onderschat en overgelegd een rapport van een zenuwarts die met toepassing van de theorie van zelfeffectiviteitsverwachting tot een andere conclusie kwam. Deze arts baseerde zijn oordeel vooral op de subjectieve inschatting van appellant zelf.
De Raad stelt vast dat de arbeidsongeschiktheid op objectieve medische gronden moet worden vastgesteld en dat de subjectieve opvatting van appellant niet beslissend is. De theorie van zelfeffectiviteitsverwachting is niet geschikt voor keuringen in bezwaar- en beroepsprocedures. De Raad volgt de deskundige die appellant geschikt acht voor de voorgehouden functies en ziet geen aanleiding tot nader medisch onderzoek.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de uitkering bevestigd. De Raad acht de medische en arbeidskundige beoordeling van gedaagde juist en voldoende onderbouwd.
Uitkomst: De intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 januari 1996 wordt bevestigd.