ECLI:NL:CRVB:2006:AX3233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid medewerker distributie potplanten volgens WAO
Appellant, werkzaam als medewerker distributie potplanten, viel uit wegens rug- en later nek-, schouder- en armklachten. Na verschillende periodes van arbeidstherapie en gedeeltelijke werkhervatting werd hij door het UWV als gedeeltelijk arbeidsongeschikt beoordeeld en kreeg hij een WAO-uitkering toegekend. De kern van het geschil betrof de vraag of appellant terecht ongeschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid.
Appellant stelde dat zijn functie was gewijzigd en dat hij alleen werkzaamheden verrichtte die hij wel kon uitvoeren. Het UWV stelde dat de functie niet was gewijzigd en dat appellant ook zwaardere werkzaamheden moest verrichten, waarvoor hij medisch niet geschikt was. De rechtbank en de Raad oordeelden dat de maatmanarbeid alle werkzaamheden omvatte, inclusief de zwaardere taken, en dat appellant deze niet kon verrichten.
De Raad concludeerde dat appellant terecht als arbeidsongeschikt werd beschouwd en bevestigde het bestreden besluit. De Raad nam daarbij mee dat de werkzaamheden rouleerden en dat medische redenen ertoe leidden dat appellant al eerder werd ontzien, maar dat dit geen invloed had op de omvang van de maatgevende arbeid. Ook civielrechtelijke uitspraken ondersteunden dat appellant niet geschikt was voor zijn functie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht als arbeidsongeschikt is beoordeeld voor zijn maatgevende functie.