ECLI:NL:CRVB:2006:AX6488

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04/6446 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19, eerste lid, aanhef en onder f, WWArt. 20, eerste lid, aanhef en onder d, WWEG Verordening 1408/71Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WW-uitkering wegens verblijf buiten Nederland bevestigd

Appellante, woonachtig in België, stelde hoger beroep in tegen de beëindiging van haar WW-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het geschil betrof de vraag of haar recht op WW-uitkering terecht was beëindigd omdat zij op de relevante datum buiten Nederland verbleef.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij op basis van redelijkheid en billijkheid in aanmerking zou moeten komen voor de grensarbeidersregeling, zodat haar WW-uitkering vanuit Nederland kon worden voortgezet. Zij stelde dat zij begin 2002 geïnformeerd was dat een WW-uitkering zou worden uitbetaald indien zij beschikbaar bleef voor de Nederlandse arbeidsmarkt, en dat zij op die grond in België verplichtingen was aangegaan.

De Raad oordeelde dat het Nederlandse recht en de EG Verordening 1408/71 dwingendrechtelijke bepalingen bevatten die geen ruimte laten voor een afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde dat het recht op WW-uitkering per 15 juli 2003 is geëindigd omdat appellante buiten Nederland woont en niet als grensarbeider kan worden aangemerkt. Tevens werd geoordeeld dat geen sprake was van een in rechte te honoreren toezegging door het UWV die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen.

De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De WW-uitkering van appellante is terecht beëindigd vanwege haar verblijf buiten Nederland.

Uitspraak

04/6446 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (België), appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2004, nr. AWB 03/3706 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 7 maart 2005 heeft appellante gereageerd op de haar toegezonden gedingstukken. Bij brief van 7 november 2005 heeft zij nog enige stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van 30 november 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Samsom, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Gedaagde heeft appellante met ingang van 1 mei 2003 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Naar aanleiding van de mededeling van appellante dat zij per 15 juli 2003 naar België gaat verhuizen heeft gedaagde appellante bij besluit van
23 juni 2003 meegedeeld dat zij vanaf 15 juli 2003 onder toepassing van het woonlandbeginsel geen recht meer heeft op WW-uitkering. Gedaagde heeft daarbij de verklaring E303 aan appellante gezonden zodat zij gedurende maximaal drie maanden haar WW-uitkering naar België zou kunnen ”exporteren”.
Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 15 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Gedaagde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat op appellante de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW van toepassing is en dat het recht op uitkering in Nederland derhalve eindigt ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van die wet.
Aangezien appellante in Nederland heeft gewerkt en gewoond is het Nederlandse recht op haar van toepassing. Zij is niet aan te merken als grensarbeider. De afgifte van de verklaring E303 heeft ten onrechte plaatsgevonden, maar wordt niet teruggedraaid om appellante niet tengevolge van het instellen van bezwaar in een nadeliger positie te brengen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante er onder andere voor gepleit haar op basis van redelijkheid en billijkheid in aanmerking te laten komen voor de grensarbeidersregeling en derhalve, conform het gestelde in EG Verordening 1408/71, de WW-uitkering vanuit het werkland, zijnde Nederland, voort te zetten. Daartoe is ter zitting van de Raad aangevoerd dat appellante reeds begin 2002 heeft geïnformeerd naar de gevolgen bij een eventueel ontslag wanneer zij in België zou wonen. Volgens een, met name genoemde, medewerkster van het CWI zou een eventuele WW-uitkering gewoon uitbetaald worden als appellante maar beschikbaar zou blijven voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Op basis van onder meer deze informatie zouden appellante en haar echtgenoot in juni 2002 verplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot de aankoop van een perceel grond in België, 18 km van de grens met Nederland, en het laten bouwen van een huis op dat perceel. Toen appellante begin 2003 geheel onverwacht werd geconfronteerd met ontslag na een dienstverband van meer dan 12 jaar, konden de aangegane verplichtingen niet meer ongedaan worden gemaakt, aldus appellante.
Ter beantwoording door de Raad ligt allereerst de vraag voor of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit terecht het standpunt heeft gehandhaafd dat het recht op WW-uitkering van appellante per 15 juli 2003 geheel is geëindigd, op de grond dat zij buiten Nederland woont.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak, met name ook die welke betrekking hebben op de toepasselijkheid van Europeesrechtelijke bepalingen.
Met betrekking tot appellantes verzoek op grond van redelijkheid en billijkheid voor haar een uitzonderingssituatie aanwezig te achten, overweegt de Raad dat zowel de in dit verband van toepassing zijnde bepalingen van de Nederlandse werkloosheidswetgeving als de bepaling van de EG Verordening 1408/71, waarop appellante een beroep heeft gedaan, een zodanige inhoud hebben dat het de rechter niet vrij staat om in afwijking van deze dwingendrechtelijke voorschriften in het geval van appellante te komen tot een ander oordeel dan het vorenstaande.
Voorts is voor de Raad op grond van de beschikbare gegevens niet komen vast te staan dat van de zijde van gedaagde een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwens-beginsel kan worden gebaseerd.
In de eerste plaats is door de Raad reeds vaker uitgesproken dat een soepele uitvoering van de sociale-verzekerings- wetgeving met zich mee brengt dat informatie en mededelingen van de zijde van de uitvoeringsorganen niet al te spoedig als die organen bindende uitlatingen mogen worden opgevat.
In de tweede plaats acht de Raad hetgeen terzake van de gestelde mededeling door appellante naar voren is gebracht te algemeen en te weinig concreet – met name is onduidelijk gebleven wat appellante precies aan de desbetreffende CWI medewerkster heeft gevraagd – om van een in rechte te honoreren toezegging te kunnen spreken.
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.