ECLI:NL:CRVB:2006:AX6527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door niet verschijnen op werk
Appellant was werkzaam als constructiebankwerker/lasser en werd op 27 augustus 2004 op staande voet ontslagen wegens het niet verschijnen op het werk zonder toestemming, in strijd met gemaakte afspraken over verlof. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk met ingang van 1 december 2004. Het UWV wees een WW-uitkering af per 1 december 2004 wegens verwijtbare werkloosheid. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden, maar de Raad onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter. Uit het dossier blijkt dat appellant ondanks waarschuwingen en afspraken over verlof en ziekmeldingen niet op correcte wijze zijn werkgever informeerde over zijn afwezigheid. De Raad acht het verwijtbaar dat appellant niet tijdig en adequaat contact heeft gezocht met zijn leidinggevende, hetgeen heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De Raad ziet geen grond voor vermindering van verwijtbaarheid en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 mei 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door het niet verschijnen op het werk zonder juiste informatie aan de werkgever.