ECLI:NL:CRVB:2006:AX6532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens te late aanvraag zonder bijzonder geval
Appellant, voormalig vakassistent bij een sociale werkvoorziening, ontving ontslag op staande voet en vroeg later een WW-uitkering aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering omdat de aanvraag te laat was ingediend en appellant verwijtbare werkloosheid had. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze weigering.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het geschil aan de hand van artikel 23 van Pro de Werkloosheidswet, dat bepaalt dat een WW-uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden die meer dan 26 weken voor de aanvraag liggen, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Appellant stelde dat het Uwv nalatig was geweest in het informeren over het tijdig aanvragen van de uitkering en dat er bijzondere omstandigheden waren, mede vanwege eerdere WAO-beoordelingen en de betrokkenheid van een andere sociale zekerheidsinstantie.
De Raad verwierp deze argumenten. Er was geen sprake van een situatie waarin het Uwv een extra verantwoordelijkheid had om te informeren, omdat appellant nooit een WAO-uitkering had ontvangen. Bovendien was appellant op de hoogte van zijn rechten en plichten via verstrekte brochures. Ook de betrokkenheid van een andere instantie rechtvaardigde geen afwijking van de wettelijke termijn. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens te late aanvraag zonder dat sprake is van een bijzonder geval.