ECLI:NL:CRVB:2006:AX6801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Toekenning en ingangsdatum van WAO-uitkering in hoger beroep
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant) tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. De rechtbank had op 9 februari 2004 geoordeeld dat de besluiten van appellant om de WAO-uitkering van betrokkene in te trekken, onterecht waren. De Centrale Raad van Beroep heeft op 19 mei 2006 uitspraak gedaan in deze zaak. De Raad oordeelt dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene is aangevangen op 3 februari 1999 en dat deze onafgebroken 52 weken heeft geduurd. Betrokkene had zich op 3 februari 1999 ziek gemeld vanwege nek- en schouderklachten, en na een periode van werkhervatting in juni 1999, is zij op 27 oktober 1999 opnieuw uitgevallen. De Raad heeft de medische rapportages van bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie in overweging genomen, die bevestigen dat de beperkingen van betrokkene sinds februari 1999 aanwezig zijn. De Raad heeft vastgesteld dat de werkzaamheden van betrokkene als frikadelleninpakster ook schouder- en nekbelastend zijn, wat haar klachten verergerde. De Raad concludeert dat de eerdere besluiten van appellant om de WAO-uitkering in te trekken, niet gerechtvaardigd waren. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.