ECLI:NL:CRVB:2006:AX6806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en correctie maatvrouwinkomen
Appellante, werkzaam als schoonheidsspecialiste en vrijwillig verzekerd voor de WAO, werd arbeidsongeschikt verklaard per 16 november 1998. Na diverse medische en arbeidsdeskundige onderzoeken concludeerde het UWV dat zij geen relevante mate van arbeidsongeschiktheid had, wat leidde tot weigering van de WAO-uitkering vanaf 15 november 1999.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege een onjuist gehanteerd maatvrouwinkomen, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het juiste inkomen geen andere uitkomst gaf. Het UWV trok vervolgens het voorschot per 15 september 2001 in. De Raad oordeelt dat het maatvrouwinkomen terecht is vastgesteld op het wettelijk minimumloon, gelet op het ontbreken van hoger inkomen in de jaren voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid.
Verder oordeelt de Raad dat de aanvankelijke aanduiding van voorschotbetalingen als uitkering geen relevante verwachtingen heeft gewekt die tot nadeel leiden, mede omdat het intrekkingsbesluit de betaling tot 15 september 2001 liet doorlopen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van de WAO-uitkering en intrekking van het voorschot wordt ongegrond verklaard.