ECLI:NL:CRVB:2006:AX7226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.W. Schuttel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en anticumulatieperiode overschreden
Appellant ontving sinds 1974 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV ontdekte dat appellant sinds 1997 diverse ondernemersactiviteiten ontplooide met aanzienlijke inkomsten. Op 17 april 2003 stelde het UWV een anticumulatiebesluit vast waarbij de uitkering vanaf 17 november 1997 werd stopgezet vanwege deze inkomsten. Tevens trok het UWV de uitkering per 17 november 2000 in, omdat de anticumulatieperiode maximaal drie jaar achtereen mag worden toegepast.
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij geen of onvoldoende inkomsten had genoten en dat hij onterecht werd geacht te hebben gewerkt in de jaren 1997-1999. De Raad stelde vast dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het anticumulatiebesluit en dat dit besluit daardoor in rechte onaantastbaar was geworden.
De Raad oordeelde dat de stelling van appellant dat hij geen betekenisvolle inkomsten had, niet afdoet aan het rechtsfeit dat de uitkering terecht werd stopgezet. Ook de vrijspraak in een strafzaak was irrelevant. Omdat de maximale termijn van drie jaar anticumulatie was verstreken en er geen relevante wijziging in de situatie van appellant was, was de intrekking per 27 november 2000 terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 27 november 2000 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.