ECLI:NL:CRVB:2006:AX8281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en ouderdomspensioen op grond van de AOW
Appellant diende een aanvraag in voor een AOW-pensioen en gaf aan ongehuwd en alleenwonend te zijn. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek naar het bestaan van een gezamenlijke huishouding met betrokkene, weduwe van een derde. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, huisbezoeken en verklaringen van buurtbewoners en betrokkenen.
De Sociale verzekeringsbank concludeerde dat appellant sinds 1991/1992 een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene en kende het pensioen toe volgens de norm voor ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren. Appellant voerde aan dat sprake was van twee afzonderlijke adressen en betwistte de juistheid van verklaringen, maar de Raad hechtte meer waarde aan de verklaringen in het onderzoeksrapport.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijke maaltijden, hulp bij ziekte en huishoudelijke taken. Hierdoor was het besluit van de Sociale verzekeringsbank terecht. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant een gezamenlijke huishouding voert en wijst het beroep en het verzoek tot schadevergoeding af.