ECLI:NL:CRVB:2006:AX8424

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3697 REA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Wet REABesluit starterskrediet arbeidsgehandicaptenRegeling starterskrediet arbeidsgehandicapten
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering starterskrediet arbeidsgehandicapte wegens gebrek aan levensvatbaarheid bedrijf

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het beroep ongegrond verklaarde tegen het besluit van het UWV van 7 februari 2003. Het UWV had geweigerd appellant een starterskrediet toe te kennen op grond van artikel 30 van Pro de Wet REA, omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar werd geacht en het verwachte rendement onvoldoende was om de investering te rechtvaardigen.

De Raad verwijst naar de aangevallen uitspraak voor een gedetailleerd overzicht van de feiten en regelgeving, maar benadrukt dat het instrument van het starterskrediet niet bedoeld is voor arbeidsgehandicapten die op arbeidstherapeutische basis in een niet-levensvatbaar bedrijf willen werken. Appellant voerde aan dat het positieve advies van bureau Startkans gevolgd had moeten worden en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door hem valse verwachtingen te geven, maar deze grieven faalden.

De Raad oordeelt dat er geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan die het vertrouwen van appellant rechtvaardigde. Het doorlopen van het adviestraject getuigt juist van zorgvuldigheid. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een starterskrediet toe te kennen wegens gebrek aan levensvatbaarheid van het bedrijf.

Uitspraak

04/3697 REA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 mei 2004, reg.nr. 03/1136 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 5 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.E. Koopman, juridisch adviseur te Haarlem. Tevens is aanwezig geweest B. Wildeboer, sociaal begeleider van de familie Boers. Uwv is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van feiten en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier, wat de feiten betreft, met het volgende.
Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een starterskrediet als bedoeld in artikel 30 van Pro de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet REA), zoals dat luidde ten tijde in geding.
Bij besluit van 7 februari 2003 heeft Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat niet voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: het bedrijf van appellant moet levensvatbaar zijn en het te verwachten rendement van het bedrijf en de te verwachten vermindering van de arbeidsongeschiktheid van appellant dienen op te wegen tegen de gevraagde investering in de vorm van een starterskrediet. Daarnaast dienen de tarieven die het bedrijf hanteert niet aanmerkelijk (hoger of) lager te zijn dan die van soortgelijke bedrijven.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 7 februari 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit artikel 30 van Pro de Wet REA, uit het Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten en uit de Regeling starterskrediet arbeidsgehandicapten blijkt dat het doel van een krediet voor het opstarten of doorstarten van een onderneming van een arbeidsgehandicapte is dat binnen redelijke termijn een levensvatbaar bedrijf tot stand komt en dat door de winst daaruit een vermindering van de uitkeringsafhankelijkheid van de arbeidsgehandicapte wordt bereikt. In het licht hiervan heeft Uwv de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden afgewezen, nu uit de aan Uwv uitgebrachte adviezen van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) en het bureau Startkans blijkt dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is en dat met een krediet van € 18.150,-- naar schatting een winst kan worden behaald van € 1.379,--, € 437,-- en € 1.385,-- voor de jaren 2002, 2003 en 2004. Zulk een krediet zal niet leiden tot afname van de arbeidsongeschiktheid van appellant en de verhouding tussen de hoogte van het krediet en de winst van het bedrijf is naar het oordeel van de rechtbank onevenwichtig.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen zal, voorzover van belang, hierna worden ingegaan.
Appellant stelt zich op het standpunt dat Uwv het positieve advies van bureau Startkans om hem het gevraagde starterskrediet te verstrekken teneinde hem in staat te stellen te functioneren op (arbeids)therapeutische basis had moeten opvolgen.
De Raad deelt deze visie van appellant niet en onderschrijft de hiervoor kort samengevatte overwegingen van de rechtbank. Ook de Raad is op grond van de gedingstukken niet gebleken dat het bedrijf van appellant levensvatbaar is. Het instrument van het starterskrediet is niet bedoeld om arbeidsgehandicapten in staat te stellen (enige tijd) op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden te verrichten in een eigen - niet levensvatbaar - bedrijf.
Appellant heeft voorts de stelling betrokken dat een starterskrediet moet worden toegekend, omdat Uwv bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat hij een starterskrediet zou krijgen. Dit vertrouwen is bij hem gewekt doordat Uwv hem voor begeleiding bij zijn activiteiten als zelfstandige heeft aangemeld bij een reïntegratiebureau, welke aanmelding uiteindelijk heeft geresulteerd in de onderhavige aanvraag. Uwv heeft hem vervolgens het hele traject van advisering door IMK en Startkans laten doorlopen terwijl het de deskundigen van Uwv van meet af aan duidelijk moet zijn geweest dat hij niet aan de vereisten voor een starterskrediet zou kunnen voldoen. Appellant is van mening dat Uwv daardoor tevens onzorgvuldig heeft gehandeld.
Deze grieft faalt. Voor een te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat van de zijde van Uwv een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan die bij appellant de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij voor het verzochte starterskrediet in aanmerking zou komen. Hiervan is de Raad niet gebleken. Het feit dat Uwv de mogelijkheden van reïntegratie van appellant heeft doen onderzoeken en naar aanleiding van de daaruit resulterende aanvraag onder meer over de levensvatbaarheid en de winstprognose van het bedrijf van appellant adviezen heeft gevraagd bij IMK en - bij wijze van second opinion - bij bureau Startkans is daartoe volstrekt onvoldoende. De Raad acht dit laatste juist getuigen van een zorgvuldige voorbereiding van de besluiten van 30 oktober 2002 en 7 februari 2003.
De slotsom is dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) M. Renden.