ECLI:NL:CRVB:2006:AX8490

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6259 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
  • J. Brand
  • N.J. Haverkamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening van WAO-uitkeringsbesluit wegens ontbreken nieuw feit of omstandigheid

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een uitspraak uit 1992 betreffende de intrekking van haar WAO-uitkering per 1 december 1983. De uitkering werd destijds ingetrokken omdat zij niet langer of minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Verzoekster stelde dat een zorgvuldig onderzoek in 1983 tot de diagnose MS had moeten leiden, hetgeen haar volledige arbeidsgeschiktheid zou hebben uitgesloten.

De Raad overwoog dat het rechtsmiddel van herziening slechts openstaat bij het bestaan van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid die voorheen niet bekend was en die, indien wel bekend geweest, tot een andere uitspraak had kunnen leiden. De door verzoekster aangevoerde medische verklaringen dateren van vóór de uitspraak en waren redelijkerwijs bekend of kenbaar geweest. Ook het feit dat niet alle informatie door haar gemachtigde in eerdere procedures was ingebracht, leidt niet tot een nieuw feit of omstandigheid.

De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het verzoek om herziening niet aan de wettelijke criteria voldoet en wijst het verzoek af. De uitspraak is gedaan door voorzitter Doornewaard en leden Brand en Haverkamp op 19 mei 2006.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAO-uitkeringsuitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid.

Uitspraak

05/6259 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het verzoek van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 december 1992, WAO 1988/171.
Datum uitspraak: 19 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak, gegeven tussen verzoekster en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie.
Namens de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als rechtsopvolger van het bestuur van voormelde bedrijfsvereniging en hierna aangeduid als betrokkene, is daarop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door B.J.H. Peters. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is het (bijzonder) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
Verzoekster was in het genot van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering is bij besluit van 5 december 1983 per 1 december 1983 ingetrokken onder de overweging dat verzoekster per die datum niet langer, althans minder dan 15%, arbeidsongeschikt was in de zin van die wet.
Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de toenmalige Raad van Beroep te Roermond ongegrond verklaard. Tegen deze ongegrondverklaring is geen rechtsmiddel aangewend.
Bij besluit van 30 augustus 1988 is het verzoek van verzoekster om terug te komen van het besluit van 5 december 1983 – voor zover hier van belang – afgewezen.
Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de toenmalige Raad van Beroep te Roermond ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft deze uitspraak bevestigd bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek tot herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep aangevoerd dat een zorgvuldig onderzoek in 1983 naar de oorzaak van verzoeksters klachten tot resultaat zou hebben gehad dat de diagnose MS zou zijn gesteld en dat verzoekster nimmer volledig arbeidsgeschikt zou zijn verklaard.
Verzoekster heeft in dit verband gewezen op verklaringen van professor dr. O.R. Hommes, neuroloog, van 27 mei 1987 en van H.W.M. Anten, neuroloog, van 9 november 1988.
Voorts heeft verzoekster er op gewezen dat de Raad van Beroep in 1988 het geschil ter zitting heeft behandeld zonder dat haar advocaat aanwezig was. Zonder overleg met deze advocaat heeft de gemachtigde Peters, die ook bij de Raad van Beroep als gemachtigde ter zitting optrad, het destijds niet aangedurfd alle informatie waarover hij – op zijn minst langs minder gebruikelijke weg – de beschikking had gekregen in geding te brengen.
Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd kan niet leiden tot herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Hetgeen verzoekster heeft gesteld omtrent het niet verrichten van een zorgvuldig onderzoek en het als gevolg daarvan niet stellen van de diagnose MS was nu juist onderwerp van de procedure die tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 december 1992 heeft geleid. Van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb is mitsdien reeds daarom geen sprake.
De overgelegde verklaringen van de artsen Hommes en Anten dateren van voor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarvan herziening is gevraagd.
Deze verklaringen hadden redelijkerwijs bij verzoekster bekend kunnen zijn, zodat gelet op het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb deze verklaringen reeds hierom geen nieuw feit opleveren.
Dat de gemachtigde van verzoekster Peters, met wie zij tijdens de procedure bij de Raad van Beroep nog was gehuwd, ter zitting van die raad niet alle gegevens naar voren heeft gebracht waarover hij de beschikking had, kan zo zijn, maar daaruit volgt dat deze gegevens (ook) bekend waren voor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarvan herziening wordt gevraagd.
Nu het bij de echtgenoot van verzoekster bekende gegeven betreft, kan niet worden staande gehouden dat verzoekster met deze gegevens redelijkerwijs niet bekend kon zijn. Gelet op het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan te dien aanzien niet worden gesproken van een nieuwe omstandigheid als daarin bedoeld.
Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende;
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) C.D.A. Bos.