ECLI:NL:CRVB:2006:AX8497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2004 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens ontbreken voldoende arbeidskundige grondslag in WAO-uitkering

Appellante viel op 19 november 2001 uit met psychische en armklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering op 12 november 2002, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn na afloop van de wachttijd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voert appellante zowel medische als arbeidskundige grieven aan.

De Raad constateert dat het UWV het bestreden besluit niet handhaaft wegens het ontbreken van een voldoende arbeidskundige grondslag, waardoor het besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad benadrukt dat dit niet automatisch recht op WAO-uitkering betekent, omdat het UWV een nieuw besluit moet nemen.

Ten aanzien van de medische beoordeling oordeelt de Raad dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld. De verzekeringsarts vroeg aanvullende informatie op en besloot uiteindelijk dat een psychiatrische expertise niet noodzakelijk was. Appellante heeft geen tegenstrijdige medische gegevens overgelegd, zodat de medische grondslag niet wordt betwijfeld.

De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante, begroot op €1.288,-, en bepaalt dat het betaalde griffierecht van €133,- wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer op 9 juni 2006.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens het ontbreken van een voldoende arbeidskundige grondslag en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

04/2004 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 maart 2004, 03/3425 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv),
Datum uitspraak: 9 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Samama voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff. Als tolk heeft appellante meegenomen de heer E. Battaloglu.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is op 19 november 2001 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet uitgevallen met psychische klachten, alsmede rechter armklachten en angstklachten.
Bij besluit van 24 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het namens appellante gemaakte bezwaar tegen zijn besluit van 12 november 2002 waarbij hij heeft geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 20 november 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante zijn in hoger beroep zowel grieven tegen de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd.
Voor wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting volstaat de Raad met de constatering dat mr. De Graaff ter zitting heeft aangegeven dat het Uwv het bestreden besluit wegens het ontbreken van een voldoende arbeidskundige grondslag niet handhaaft. Reeds hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd.
Ter voorlichting van appellante merkt de Raad hier op dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar zal nemen, zodat het hiervoor gegeven oordeel nog niet meebrengt dat zij recht op uitkering ingevolge de WAO zal kunnen doen gelden.
Met het oog op de nog te nemen nieuwe beslissing op bezwaar ziet de Raad aanleiding thans zijn oordeel voor wat betreft de medische kant van de schatting te geven.
Namens appellante is -evenals in beroep- naar voren gebracht dat het Uwv onvoldoende medische gegevens had om zijn beslissing op te baseren, nu het Uwv zelf immers van mening was dat er een expertise verricht moest worden door psychiater J.A.H. Koelen te Aerdenhout.
In navolging van hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen oordeelt de Raad dat het Uwv voldoende zorgvuldig heeft gehandeld door het bestreden besluit op de voorhanden zijnde gegevens te baseren.
De bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger concludeerde in zijn rapportage van 27 januari 2003 dat er aanvullende informatie bij de huisarts moest worden opgevraagd. Na ontvangst van deze gegevens heeft hij besloten een psychiatrische expertise aan te vragen om onnodige discussie tussen gemachtigde, curatieve sector, betrokkene en verweerder te voorkomen. In zijn rapportage van 1 juli 2003 heeft hij vervolgens gemotiveerd aangegeven waarom hij zich in staat acht de zaak naar eigen bevindingen af te doen en dat hij daarbij geen reden ziet te twijfelen aan de waarde van de door de verzekeringsarts op de functionele mogelijkhedenlijst aangegeven beperkingen.
Nu ook in hoger beroep appellante geen (andersluidende) medische gegevens heeft overgelegd, ziet de Raad geen reden voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van de onderwerpelijke arbeidsongeschiktheidschatting.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.