ECLI:NL:CRVB:2006:AX8560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-voorschotten na weigering uitkering
De zaak betreft de terugvordering van voorschotten die appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onverschuldigd heeft betaald aan betrokkene in de periode van 14 oktober 1999 tot en met 31 juli 2000. Betrokkene had geen recht op een WAO-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Appellant heeft de terugvordering gebaseerd op artikel 57 van Pro de WAO, dat dwingend voorschrijft dat onverschuldigd betaalde bedragen moeten worden teruggevorderd, tenzij dringende redenen zich tegen terugvordering verzetten.
De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd wegens onvoldoende motivering, met name omdat appellant niet voldoende was ingegaan op het door betrokkene gestelde misbruik van recht. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellant in het bestreden besluit wel degelijk voldoende heeft gemotiveerd waarom terugvordering gerechtvaardigd is. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen de beslissing op bezwaar en heeft geen actie ondernomen om de besluitvorming te bespoedigen.
De Raad stelt dat geen dringende redenen zijn gebleken die terugvordering in de weg staan, zoals onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor betrokkene. De vertraagde besluitvorming door appellant is onvoldoende ernstig om terugvordering te verhinderen. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellant gegrond, waarbij het inleidend beroep van betrokkene ongegrond wordt verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellant gegrond, waardoor de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-voorschotten stand houdt.