ECLI:NL:CRVB:2006:AX8561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, stopte haar werk vanwege rug-, maag-, darm- en spanningsklachten. Het UWV kende haar een WAO-uitkering toe op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Later trok het UWV deze uitkering in omdat de arbeidsongeschiktheid volgens medische en arbeidskundige beoordelingen minder dan 15% bedroeg.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld, onderbouwd met een probleemlijst van haar huisarts en verwijzing naar een specialist. Het UWV handhaafde het besluit na aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat appellante met haar beperkingen de voorgehouden functies kon vervullen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond de medische beoordeling zorgvuldig en achtte de functies passend, ondanks de klachten en taalbeheersing van appellante. Er waren geen nieuwe medische gegevens die meer beperkingen aannemelijk maakten. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante voldoende geschikt is voor de voorgehouden functies ondanks haar beperkingen.