ECLI:NL:CRVB:2006:AX8563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving sinds 1975 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de uitkering nadat bleek dat appellante sinds mei 1998 een gezamenlijke huishouding voerde met Busio zonder dit te melden.
Uit het onderzoek, inclusief verklaringen van buurtbewoners en een rapport van Argonaut, bleek dat Busio niet hulpbehoevend was in de relevante periode, en dat appellante en Busio feitelijk samenwoonden en zorg droegen voor elkaar. Hierdoor werd de uitkering per 1 december 1998 ingetrokken.
Appellante voerde aan dat zij niet was uitgenodigd voor de zitting en dat er geen gezamenlijke huishouding was, maar de Raad verwierp deze grieven. Ook het verzoek om herleving van de uitkering en om een voorschot werden afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat de gezamenlijke huishouding was beëindigd.
De Raad concludeert dat appellante niet heeft voldaan aan haar meldingsplicht en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank, waarmee de intrekking van de nabestaandenuitkering rechtmatig is.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 december 1998 wordt bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.