ECLI:NL:CRVB:2006:AX8571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening nabestaandenuitkering en ouderdomspensioen bij gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1987 een pensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering volgens de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een anonieme tip dat zij samenwoonde met [P.], stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in. Dit onderzoek, inclusief dossieronderzoek en verklaringen van appellante en [P.], leidde tot de conclusie dat zij sinds 1991/1992 een gezamenlijke huishouding voerden.
Op basis hiervan herzag de Svb in 2004 het recht op nabestaandenuitkering vanaf 1 januari 1998 en het ouderdomspensioen vanaf 1 april 1999, waarbij de uitkeringen werden aangepast aan de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gezamenlijke huishouding bestond, ondanks het feit dat appellante en [P.] op verschillende adressen stonden ingeschreven. De verklaringen over gezamenlijke boodschappen, maaltijden, huishoudelijke taken en wederzijdse verzorging werden als betrouwbaar beschouwd. Ook het waterverbruik bevestigde de feitelijke samenwoning. De Raad verwierp het verweer dat de verklaring onder druk was afgelegd en vond geen reden om af te wijken van vaste jurisprudentie.
De Raad bevestigde dat de herziening van de nabestaandenuitkering en het ouderdomspensioen terecht was toegepast. Het verzoek van appellante tot schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de uitkeringen wegens gezamenlijke huishouding en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.