ECLI:NL:CRVB:2006:AX8778

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6570 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig betalen griffierecht in hoger beroep WWB

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen inzake een WWB-zaak. De Raad heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht van €103 niet binnen de gestelde termijn van vier weken was voldaan.

Appellant heeft verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en aangevoerd dat hij door het grote aantal procedures niet in staat was het griffierecht te betalen. De Raad heeft vastgesteld dat appellant binnen de termijn geen betalingsonmacht heeft gemeld.

De Raad oordeelt dat het verzuim niet verschoonbaar is en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons en uitgesproken op 31 mei 2006.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht en het niet verschoonbaar zijn van het verzuim.

Uitspraak

05/6570 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 november 2005, 05/631 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 14 maart 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 14 maart 2006 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 mei 2006, waar appellant en het College - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 14 maart 2006 berust hierop, dat het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de daarvoor bij aangetekend verzonden brief van 15 december 2005 gestelde termijn van vier weken is voldaan en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant aangevoerd dat hij, mede als gevolg van het grote aantal door hem aanhangig gemaakte procedures, niet in staat was en is om het griffierecht te voldoen.
De Raad stelt vast dat appellant binnen de bij de brief van 15 december 2005 gestelde termijn van vier weken op geen enkele wijze aan de Raad kenbaar heeft gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht.
Reeds om die reden bestaat voor gegrondverklaring van het verzet geen aanleiding.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad evenmin aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) M. Renden.