ECLI:NL:CRVB:2006:AX8788

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3902 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet voorzieningen gehandicaptenArt. 8.1 Verordening Wvg 2002
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering woonvoorziening douchestoel wegens ontbreken medische beperkingen

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de weigering van het College van burgemeester en wethouders van Tilburg om een woonvoorziening in de vorm van een douchestoel of douchezitje toe te kennen. De rechtbank Breda had het beroep ongegrond verklaard omdat er geen sprake was van aantoonbare, medisch geobjectiveerde beperkingen die het normale gebruik van de woning belemmeren.

In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden, waaronder het aanvoeren van rugklachten, botontkalking en een beperkte ontwikkeling van de musculatuur. Echter, zij leverde geen medische gegevens aan ter ondersteuning van deze stellingen. De Raad sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank en verwierp de stellingen over onjuistheid van de medische rapportage en het niet toepassen van de hardheidsclausule in de gemeentelijke verordening.

De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden en wees het beroep van appellante af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de woonvoorziening wegens ontbreken van aantoonbare medische beperkingen.

Uitspraak

04/3902 WVG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 juni 2004, 03/1976 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.C Blonk, werkzaam bij Rechtswinkel Stichting Juridische EHBO te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en de van toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van het College van 31 juli 2003, inhoudende de weigering van een woonvoorziening in de vorm van een douchestoel of douchezitje, ongegrond verklaard. De besluitvorming van het College berust op de vaststelling dat bij appellante geen sprake is van aantoonbare, medisch geobjectiveerde beperkingen die het normale gebruik van de woning belemmeren.
In hoger beroep heeft appellante de in eerste aanleg aangevoerde en door de rechtbank verworpen gronden herhaald.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Dit betekent dat ook de Raad appellante niet volgt in haar stelling dat de beschikbare medische gegevens (waaronder in het bijzonder de rapportage van het Regionaal Indicatieorgaan Midden-Brabant van 27 mei 2003) onjuist zouden zijn, en evenmin in haar stelling dat het College - ook - ter zake van de hier aan de orde zijnde aanvraag van appellante toepassing had dienen te geven aan de in artikel 8.1, eerste lid, van de in de gemeente Tilburg geldende Verordening Wvg 2002 neergelegde hardheidsclausule.
In hoger beroep heeft appellante zich voorts beroepen op aanwezige rugklachten en botontkalking. Appellante heeft echter geen enkel medisch gegeven aangedragen dat dit beroep zou kunnen ondersteunen. Verder is aangevoerd dat bij appellante sprake is van een beperkte ontwikkeling van de musculatuur. Appellante heeft echter niet onderbouwd dat dit verband houdt met enige ziekte of enig gebrek, zodat deze stelling niet kan leiden tot de vaststelling dat sprake is van ziekte of gebrek in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet voorzieningen gehandicapten.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en L.F.M. Verhey als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) M. Renden.