ECLI:NL:CRVB:2006:AX8934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en terugvordering wegens inkomsten uit arbeid
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij het Uwv steeds juist en volledig had geïnformeerd over haar inkomsten en dat het Uwv de gegevens niet tijdig en correct had verwerkt. Zij stelde dat intrekking en herziening van haar WAO-uitkering niet eerder konden plaatsvinden dan nadat het Uwv haar hierover had geïnformeerd. Tevens vond zij het maandelijkse aflossingsbedrag te hoog.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij vanaf 1 augustus 1998 geen recht meer had op uitkering, aangezien zij niet minder werkte en geen relevant lager inkomen had. De toepassing van artikel 44 WAO Pro, die een maximale termijn van drie jaar kent voor het voortzetten van de uitkering bij inkomsten uit arbeid, maakte intrekking per 1 augustus 2001 noodzakelijk.
Verder werd geoordeeld dat de vastgestelde aflossingscapaciteit van € 648,87 per maand niet werd betwist en dat het overeengekomen bedrag van € 250,-- per maand niet strijdig is met de wet of het rechtsbewustzijn. Dringende redenen om af te zien van terugvordering waren niet gesteld. De uitspraak van de rechtbank Zwolle werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 1 augustus 2001 en de terugvordering van € 3.425,21 worden bevestigd met een aflossingsbedrag van € 250 per maand.