ECLI:NL:CRVB:2006:AX8953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in 1970, kreeg in 2001 een WAO-uitkering toegekend wegens bekkenvenentrombose en andere klachten. Het UWV trok deze uitkering in 2003 in omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante voerde psychische klachten aan, waaronder ADHD en borderline persoonlijkheidsstoornis, ondersteund door medische rapporten. De rechtbank oordeelde dat deze klachten onvoldoende geobjectiveerd waren en bevestigde het besluit van het UWV.
In hoger beroep overwoog de Centrale Raad van Beroep dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de nieuwe medische stukken niet eenduidig waren. De Raad liet een brief van een neuroloog buiten beschouwing wegens te late indiening. De Raad stelde vast dat de psychische en lichamelijke beperkingen reeds bestonden vóór de WAO-verzekering en dat alleen een toename van beperkingen relevant is voor de beoordeling.
De Raad concludeerde dat appellante ondanks haar klachten in staat wordt geacht de geselecteerde functies uit te oefenen en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De gezinstaken van appellante vallen buiten de WAO en spelen geen rol bij de beoordeling.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende vastgestelde arbeidsongeschiktheid.