ECLI:NL:CRVB:2006:AX9004

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5662 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hoger beroep wegens appelverbod in bestuursrechtelijke zaak UWV

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht waarin haar verzet ongegrond werd verklaard. De Centrale Raad van Beroep moest beoordelen of het hoger beroep ontvankelijk was.

Volgens artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan tegen uitspraken als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, Awb geen hoger beroep worden ingesteld. De aangevallen uitspraak valt onder deze categorie, waardoor het hoger beroep in principe niet ontvankelijk is.

De Raad overwoog dat alleen bij evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen of de procesorde het appelverbod kan worden doorbroken. Appellante voerde onder meer bezwaren aan tegen de bedrijfsvoering van het UWV, maar dit vormde geen grond voor een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Er waren geen feiten of omstandigheden die een uitzondering op het appelverbod rechtvaardigden.

Daarom verklaarde de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en handhaafde het appelverbod. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 juni 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens het appelverbod.

Uitspraak

05/5662 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 augustus 2005, reg.nr. 04/1447 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.Ch.S. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 28 februari 2006, waar partijen – met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard het verzet, namens appellante gedaan tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van
22 december 2004.
De Raad ziet zich in het onderhavige geding primair geplaatst voor de vraag of tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld en overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak betreft een dergelijke uitspraak en is derhalve volgens het toepasselijke procesrecht niet vatbaar voor hoger beroep.
Voor kennisneming door de Raad van een hoger beroep in weerwil van voormeld artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan naar vaste rechtspraak echter grond bestaan, indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.
Een eventuele onjuiste inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van het aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende geschil kan op zichzelf geen grond vormen voor een doorbreking van het appelverbod. In hetgeen namens appellante is aangevoerd omtrent de bedrijfsvoering binnen het Uwv ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat appellante – in strijd met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – een eerlijk proces is onthouden.
Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken van feiten of omstandigheden die met zich brengen dat aan het appèlverbod moet worden voorbijgegaan, zodat hij zich onbevoegd dient te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
CVG