ECLI:NL:CRVB:2008:BC4904

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-815 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 18 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hoger beroep wegens appelverbod in bestuursrechtelijke zaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het verzet van appellant ongegrond verklaarde. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat op grond van artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep mogelijk is tegen uitspraken van de rechtbank in verzetzaken.

Appellant voerde aan dat het appelverbod doorbroken zou moeten worden vanwege een vermeende strijdigheid met jurisprudentie van de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep. De Raad heeft echter bevestigd dat een onjuiste inhoudelijke beoordeling door de rechtbank op zichzelf geen reden is om het appelverbod te doorbreken.

Verder is geoordeeld dat er geen sprake is van een zo ernstige schending van de goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen dat het recht op een eerlijk proces in het geding zou zijn geweest. Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd om het hoger beroep te behandelen en wees het beroep af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd het hoger beroep te behandelen wegens het appelverbod volgens artikel 8:55 Awb.

Uitspraak

06/815 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2006, 05/1988 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 15 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich niet doen vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard het verzet, namens appellant gedaan tegen de met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb gedane uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2005.
Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestaat aanleiding voor doorbreking van dit appelverbod, indien moet worden geoordeeld dat bij de totstandkoming van een in hoger beroep aangevallen uitspraak van de rechtbank sprake is geweest van een zo ernstige schending van de goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake kan zijn geweest.
Appellant heeft kort samengevat betoogd dat reden voor doorbreking van het appelverbod aanwezig is, nu bij de aangevallen uitspraak zijn verzet tegen het door de rechtbank in haar uitspraak van 30 juni 2005 gegeven oordeel ongegrond is verklaard, terwijl dat oordeel strijdt met de jurisprudentie van de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep.
Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 6 juni 2006, 05/5662 WAO, LJN: AX9004, kan een eventuele onjuiste inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van het aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende geschil op zichzelf geen grond vormen voor een doorbreking van het appelverbod. De door appellant opgeworpen stelling dat de inhoudelijke beoordeling door de rechtbank onjuist is, dient mitsdien buiten bespreking te blijven.
Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd blijkt ook overigens geenszins van een zo ernstige schending van de goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, dat van een eerlijk proces geen sprake kan zijn geweest, zodat er geen aanleiding bestaat aan het appelverbod voorbij te gaan.
De Raad dient zich mitsdien onbevoegd te verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2008.
(get.) J. Brand.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
JL