ECLI:NL:CRVB:2006:AX9131

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3095 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant verzocht om herziening van een eerder besluit waarbij zijn WAO-uitkering was vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een herziening konden rechtvaardigen. De rechtbank Rotterdam bevestigde deze afwijzing en verklaarde het bezwaar ongegrond.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar de Centrale Raad van Beroep overwoog dat het verzoek niet gebaseerd was op nieuwe feiten of omstandigheden zoals vereist volgens artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad benadrukte dat het niet de bedoeling is om een eerdere procedure, die was geëindigd wegens termijnoverschrijding, opnieuw te behandelen.

De Raad oordeelde dat het UWV bevoegd was om het verzoek zonder nader onderzoek af te wijzen en dat dit niet in strijd was met enige rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. De aangevallen uitspraak werd dan ook bevestigd. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering te herzien wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

04/3095 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2004, 03/2036 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. Prinsen, advocaat te Maassluis, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 19 december 2002 is afgewezen een verzoek van appellant om herziening van een eerder besluit van
15 januari 2002, waarbij appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van
12 maart 2001 is herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij besluit van 28 mei 2003, verder: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er in dit geval geen sprake is geweest van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het Uwv terecht heeft geweigerd het besluit van
15 januari 2002 te herzien.
In hoger beroep heeft appellant zijn stellingen goeddeels herhaald.
De Raad moet de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Met de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat er in casu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld.
Hetgeen namens appellant is aangevoerd betreft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden maar veeleer gegevens en argumenten die appellant heel goed naar voren had kunnen brengen in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 15 januari 2002, welke procedure is geëindigd met een niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding.
Artikel 4:6 van Pro de Awb is niet geschreven om een aldus geëindigde procedure met negatie van de overschrijding van de bezwaartermijn nog eens over te doen.
Het Uwv was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 15 januari 2002. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.