ECLI:NL:CRVB:2006:AX9301

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3780 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, vijfde lid AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late betaling griffierecht

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijn. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Appellant maakte bezwaar via verzet, waarbij werd aangevoerd dat door gezondheidsredenen en verblijf in het buitenland de aangetekende brief niet tijdig was ontvangen.

Tijdens de zitting werd geoordeeld dat appellant en zijn gemachtigde het risico hadden genomen door het verzoek tot uitstel pas kort voor vertrek in te dienen en onvoldoende maatregelen te treffen voor postafhandeling tijdens afwezigheid. De Raad vond geen gronden om het verzet gegrond te verklaren en wees het af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 juni 2006.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens te late betaling van het griffierecht.

Uitspraak

05/3780 AKW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te Kroatië (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2005, 03/5222 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 16 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 9 december 2005 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 9 december 2005 heeft I. Lupi te ’s-Gravenhage als gemachtigde van appellant verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2006, waar appellant is verschenen bij gemachtigde. De Svb heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 9 december 2005 berust hierop, dat het verschuldigde griffierecht eerst op 9 september 2005 is bijgeschreven op de rekening van de Raad en derhalve niet binnen de in de brief van 14 juli 2005 gestelde termijn, welke eindigde op 11 augustus 2005, is betaald.
In het verzetschrift heeft de gemachtigde van appellant aangegeven dat hij vanwege omstandigheden en zijn gezondheid op 2 juli 2005 is afgereisd naar Kroatië en eerst eind augustus 2005 is teruggekeerd waardoor hij de aangetekende brief van 14 juli 2005 niet heeft ontvangen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant nog aangevoerd dat hij de brief van de Raad van 1 juli 2005, waarbij in antwoord op zijn brief van 29 juni 2005 onder meer wordt meegedeeld dat voor het voldoen van het griffierecht geen uitstel kan worden verleend, in verband met zijn vertrek op 2 juli 2005 niet tijdig heeft ontvangen.
De Raad is van oordeel dat in verzet geen gronden zijn aangevoerd die tot gegrond verklaring van het verzet moeten of kunnen leiden.
De Raad overweegt hiertoe dat de gemachtigde van appellant door eerst bij brief van 29 juni 2005 een verzoek in te dienen om de behandeling van de zaak een paar weken aan te houden het risico heeft genomen dat het antwoord op zijn verzoek niet voor zijn vertrek naar het buitenland zou zijn ontvangen. De Raad weegt daarbij mee dat het op de weg van de gemachtigde had gelegen om - met name bij een afwezigheid van twee maanden - afdoende maatregelen te treffen om de afhandeling van (belangrijke) poststukken mogelijk te maken.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) P.H. Broier.
RG