ECLI:NL:CRVB:2006:AX9435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging nabestaandenuitkering en herziening ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellante voerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg waarin haar bezwaar tegen de beëindiging van haar nabestaandenuitkering en de herziening van haar ouderdomspensioen werd behandeld. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had vastgesteld dat appellante vanaf 1997 tot 5 april 2000 een gezamenlijke huishouding voerde met haar levenspartner, anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Dit leidde tot beëindiging van de nabestaandenuitkering en herziening van het ouderdomspensioen.
De Raad beoordeelde of sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens de bepalingen van de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Ouderdomswet (AOW). Uit het onderzoek, waaronder een huisbezoek en een rapport van 9 november 2001, bleek dat appellante en haar partner feitelijk samenwoonden en zorg aan elkaar verleenden, waaronder financiële bijdragen en huishoudelijke taken. Tevens werd vastgesteld dat de partner niet als hulpbehoevende kon worden aangemerkt, omdat hij niet dagelijks intensieve zorg nodig had.
Verder werd vastgesteld dat appellante de Svb niet had geïnformeerd over de gezamenlijke huishouding, waardoor zij haar inlichtingenplicht schond. De Raad oordeelde dat de Svb terecht de uitkeringen had beëindigd en herzien. De klacht over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro werd verworpen, omdat de termijn pas begon te lopen vanaf het bezwaar tegen de primaire besluiten. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering en de herziening van het ouderdomspensioen van appellante wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.