ECLI:NL:CRVB:2006:AX9586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na rechterschouderklachten
Appellante heeft een WAO-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van rechterschouderklachten. Na medisch onderzoek en arbeidskundige beoordeling stelde het UWV vast dat zij geschikt was voor diverse functies, waardoor geen sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name dat zij haar rechterarm niet kon belasten en alleen functies mocht vervullen die éénarmig konden worden uitgevoerd. Zij overhandigde aanvullende medische rapporten ter onderbouwing.
De Raad oordeelde dat de beperkingen niet zodanig waren dat appellante het merendeel van de geselecteerde functies niet kon vervullen. Hoewel twijfel bestond over één functie, bleef voldoende passend werk over. De medische rapporten van het reumacentrum bevestigden de eerdere bevindingen van de revalidatiearts, en het standpunt dat appellante als éénarmig moest worden beschouwd werd niet bevestigd.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank Arnhem en bevestigde het bestreden besluit. De WAO-uitkering werd geweigerd omdat het verlies aan verdiencapaciteit slechts 9% bedroeg, onvoldoende voor toekenning.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.