ECLI:NL:CRVB:2006:AX9624
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning hogere WAO-uitkering en vergoeding wettelijke rente na herziening
Appellant, werkzaam als orgaanbewerker, viel uit wegens rugklachten en later klachten aan de linkerhand. Vanaf 12 augustus 1999 ontving hij een WAO-uitkering van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering per 27 november 2000 in wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na bezwaar en beroep herzag het UWV dit naar 25-35%, later naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. De Raad benoemde een revalidatiearts die concludeerde dat appellant beperkingen heeft maar geschikt is voor geselecteerde functies. De Raad oordeelde dat het beroep tegen het laatste besluit ongegrond is, vernietigde de eerdere uitspraak en verklaarde het beroep tegen het herzieningsbesluit van 2003 gegrond.
Appellant vorderde vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering. De Raad achtte dit toewijsbaar en veroordeelde het UWV tot betaling van wettelijke rente en proceskosten. De Raad bevestigde dat de medische en arbeidskundige beoordeling adequaat was en dat appellant niet voldeed aan de opleidingseis.
Uitkomst: Beroep tegen het herzieningsbesluit van 2003 gegrond verklaard en UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.