ECLI:NL:CRVB:2006:AX9627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder over de periode van 1 september 1997 tot 1 december 2000. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de sociale recherche een onderzoek naar haar woonsituatie en inkomsten van haar partner. Het College besloot de bijstand over de periode van 1 september 1998 tot en met 29 februari 2000 in te trekken en de teveel betaalde bedragen terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding of dat deze pas vanaf augustus 1999 bestond. De Raad oordeelde dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante, mede gebaseerd op verklaringen van beide partijen en de verhuurder.
De Raad verwierp het verweer dat de verklaring van de partner niet bruikbaar was vanwege taalproblemen. Ook was geen sprake van druk bij het afleggen van verklaringen. Het College was daarom terecht gehouden de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Dringende redenen om hiervan af te zien werden niet gevonden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering worden bevestigd wegens verzwegen gezamenlijke huishouding.