ECLI:NL:CRVB:2006:AY0260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens verwijtbare werkloosheid
Appellante, geboren in 1954, ontving sinds 2000 een bijstandsuitkering en vroeg in 2004 een langdurigheidstoeslag aan op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Groningen wees deze aanvraag af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat zij gedurende 60 maanden voldoende had getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden.
De afwijzing was mede gebaseerd op een maatregel die in 2000 was opgelegd wegens verwijtbaar werkloos zijn, namelijk het door eigen toedoen niet behouden van arbeid. Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet geschikt was voor de werkzaamheden die zij destijds verrichtte.
De Raad oordeelde dat het College binnen haar beleidsvrijheid handelde door de maatregel als relevant te beschouwen en dat dit in overeenstemming was met de uitleg van de Staatssecretaris. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van deze beleidsregel rechtvaardigden. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en wees het verzoek om schadevergoeding en proceskosten af.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag is terecht afgewezen wegens verwijtbare werkloosheid en niet voldoen aan beleidsregels.