ECLI:NL:CRVB:2006:AY0429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks betwisting appellant
Appellant stelde zich op het standpunt dat hij altijd aan zijn inlichtingenplicht had voldaan en dat het UWV door trage besluitvorming onnodig een hoog bedrag van € 8.653,01 aan onverschuldigde WAO-uitkering terugvorderde. Hij voerde aan dat hij als leek niet redelijkerwijs kon weten dat hij teveel ontving en dat hij mocht vertrouwen op toezeggingen van arbeidsdeskundigen tijdens zijn reïntegratietraject.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat het UWV op grond van artikel 57 WAO Pro verplicht is onverschuldigde betalingen terug te vorderen en dat geen dringende reden bestaat om daarvan af te zien. De vermeende fouten van het UWV en de vertraging rechtvaardigen geen uitzondering.
Verder stelt de Raad dat het beginsel van rechtszekerheid normaal gesproken terugwerkende kracht van artikel 44 WAO Pro uitsluit, maar dat dit niet geldt indien de betrokkene wist of redelijkerwijs had moeten weten dat inkomsten uit arbeid invloed hadden op de uitkering. Gezien de hoogte van de inkomsten en het maatmanloon moest appellant dit begrijpen.
De toezeggingen van arbeidsdeskundigen waren niet ondubbelzinnig en bevoegd, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Het stilzitten van het UWV leidt niet tot het vervallen van de toepassing van artikel 44 WAO Pro. De terugvordering blijft rechtmatig en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering door het UWV.