ECLI:NL:CRVB:2006:AY1916

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5776 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 5 AwbArt. 8:54 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij herzieningsverzoek

Verzoeker diende een verzoek tot herziening in tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens deed verzoeker verzet tegen deze beslissing. De Raad stelde vast dat het verzetschrift pas na afloop van de wettelijk gestelde termijn van 5 april 2006 werd ontvangen, namelijk op 12 april 2006.

Tijdens de zitting op 8 juni 2006 verscheen verzoeker in persoon, terwijl de Staatssecretaris van Defensie zich niet liet vertegenwoordigen. De Raad concludeerde dat de overschrijding van de termijn niet gerechtvaardigd was, aangezien de door verzoeker opgegeven administratieve omissie onvoldoende was om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen.

Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 juni 2006.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

05/5776 MPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het verzoek om herziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2003, 02/3346 + 02/3819 MPW,
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: de Staatssecretaris)
Datum uitspraak: 29 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 16 februari 2006 heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de door de Raad op 15 mei 2003, 02/3346 + 02/3819 MPW gegeven uitspraak, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 16 februari 2006 heeft verzoeker verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2006. Verzoeker is in persoon verschenen. De Staatssecretaris heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak waartegen verzet is gedaan, is op 22 februari 2006 aangetekend verzonden naar verzoeker. De laatste dag van de wettelijk gestelde verzetstermijn is derhalve 5 april 2006. Het verzetschrift, gedateerd 11 april 2006, is eerst op 12 april 2006, dus na afloop van de verzetstermijn, ter griffie van de Raad ontvangen.
De Raad is van oordeel dat verzoeker in het verzetschrift en ter zitting geen argumenten heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat verzoeker niet in verzuim is geweest.
Hiertoe heeft de Raad overwogen dat de door verzoeker opgegeven reden, dat wegens een administratieve omissie zijnerzijds de verzetstermijn is overschreden, onvoldoende is om de termijnoverschrijding te passeren.
Gelet op het voorgaande dient het verzet niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) O.C. Boute.
HD
26.06