ECLI:NL:CRVB:2006:AY2636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAZ-uitkering wegens onvoldoende gronden
Appellante, exploitant van een dierenspeciaalzaak, viel uit wegens een acute hernia en vroeg een WAZ-uitkering aan. Het Uwv weigerde deze op grond van een medische en arbeidskundige beoordeling die stelde dat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. De Raad liet een psychiatrisch onderzoek uitvoeren en heropende het onderzoek na aanvullende vragen over de arbeidsmogelijkhedenlijsten. Medisch werd vastgesteld dat de beperkingen van appellante onvoldoende waren onderbouwd om de uitkering te weigeren.
Arbeidskundig bleek dat het Uwv onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat slechts twee functies zonder toeslag voor afwijkende arbeidstijden resteren, wat strijdig was met het Schattingsbesluit en de Awb. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering wordt vernietigd en het Uwv wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.