ECLI:NL:CRVB:2006:AY3599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Ch. van Voorst
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Weigering terugwerkende WAO-uitkering strijdig met rechtszekerheidsbeginsel
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel in 1995 uit wegens nek-, schouder- en psychische klachten. Na aanvankelijke toekenning en intrekking van WAO-uitkeringen, meldde zij zich in 1998 ziek en ontving zij gedurende 52 weken ziekengeld en daarna twee jaar WAO-uitkering zonder dat het UWV schriftelijk mededeelde dat dit op voorschotbasis was.
De rechtbank stelde vast dat het UWV onvoldoende had toegelicht of de functies die appellante kon vervullen medisch geschikt waren en gaf opdracht tot heroverweging. Het UWV handhaafde daarop de weigering om met terugwerkende kracht een WAO-uitkering toe te kennen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze weigering, gegeven de voorafgaande uitbetalingen zonder duidelijke communicatie, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het UWV moet een nieuw besluit nemen, waarbij de WAO-uitkering niet eerder dan 3 september 2001 kan worden ingetrokken zonder het zorgvuldigheidsbeginsel te schenden.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen renteschade of andere schade was vastgesteld. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het UWV moet een nieuw besluit nemen en de weigering van terugwerkende WAO-uitkering is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.