ECLI:NL:CRVB:2006:AY3610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitspraken inzake herziening WAO-uitkering na medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, voorheen allround montagemedewerker, meldde zich vanaf 1999 ziek wegens psychische en later ook lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe, die na medisch en arbeidskundig onderzoek werd herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen besluiten tot beëindiging of weigering van ziekengelduitkeringen, waarop de rechtbanken zijn beroepen ongegrond verklaarden.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen, onder meer op basis van verklaringen van zijn behandelend psychiater. De Raad overwoog dat de medische onderzoeken, waaronder rapporten van verzekeringsartsen en bezwaarverzekeringsartsen, zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de bevindingen van de behandelend psychiater geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De Raad bevestigde dat appellant op de relevante momenten in staat was ten minste één van de voor hem geschikte functies te vervullen, rekening houdend met zowel lichamelijke als psychische beperkingen. De Raad zag geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde de aangevallen uitspraken, waarmee de besluiten van het UWV in stand bleven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken en verklaart het beroep van appellant ongegrond.